
De campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen 2025 is anders dan anders. De VVD sluit de PVV uit en noemt GroenLinks-PvdA niet als coalitiepartner. Hierdoor krijgen juist kleine partijen een onverwachte sleutelrol bij het vormen van een nieuwe coalitie. Dit is niet alleen een politieke keuze – het raakt direct aan hoe strategisch stemmen, versnippering en het Nederlandse politieke landschap samenhangen. Het laat een mogelijk derde middenweg zien voor politieke samenwerking, naast coalities met de politieke uitersten PVV en GroenLinks-PvdA.
Probleem van politieke extremen
VVD-leider Dilan Yeşilgöz gaf onlangs in het AD aan dat ze de voorkeur geeft aan samenwerking met CDA, JA21, BBB en SGP, en niet met PVV of GroenLinks-PvdA – juist de grootste partijen in de laatste Peilingwijzer van 30 juli. Daarmee wordt het mogelijk dat de nummer drie straks de premier levert. Nog nooit zagen we dat in de campagne wordt ingezet op een een kabinet zonder de grootste partijen – de politieke spelregels verschuiven hierdoor ongekend.
Sinds vele jaren is het gebruikelijk dat een coalitie wordt gevormd met drie partijen uit de vier grote blokken: liberaal (VVD), progressief (PvdA, D66), christelijk-conservatief (CDA, NSC) en rechts-radicaal (PVV). Omdat progressief en rechts-radicaal elkaar uitsluiten, en PVV voor geen enkele partij nu een aanvaardbare coalitiepartner is, zou dat automatisch samenwerking met GroenLinks-PvdA betekenen. Die door veel kiezers meer als GroenLinks (radicaal) dan PvdA (gematigd) wordt gezien, wat ook bleek uit onze editie van Verkiezingen Vergeleken van eind 2023. Maar vanuit het verleden gezien, en de logica van drie partijen uit vier blokken, zouden VVD en CDA ook na de verkiezingen van 2025 dan logischerwijs moeten aanschuiven bij een coalitie met GroenLinks-PvdA óf toch weer met PVV. Ongewenst, blijkbaar volgens VVD-leider Dilan Yeşilgöz.
Waarom kleine partijen nu kans maken
Nu VVD probeert het stelsel van “drie uit vier” te doorbreken, heeft dat grote gevolgen voor de samenstelling van de Tweede Kamer en de kansen van kleine partijen. Volgens de slots-theorie1 zijn er slechts een beperkt aantal “openingen” in de Tweede Kamer, en zijn zetels schaars verdeeld. Het rijtje uit Verkiezingen Winnen (2021, blz. 28) is nog steeds geldig: voor de grootste partij zijn er 31 zetels, voor de nummer 2 25, dan 21, 17, 13, 11, 9, 7, 5, 4, 3, 2, 1, 1.
Na de vier grootste partijen duiken we onder de 10 zetels en loopt het trappetje af richting 1 zetel. Kleine partijen kunnen bij volgende verkiezingen uitdoven of komen niet boven de natuurlijke kiesdrempel van 1 zetel. In 2025 zien we echter iets bijzonders: de Peilingwijzer toont een lange staart van kleine partijen, met zes partijen op slechts 2-4 zetels.
Veel kiezers stemmen uit strategische overwegingen aan het einde van de campagne op een grotere partij. Een stem op een grote partij levert meer invloed op, en de kans is groter dat die partij haar beloften kan waarmaken in een coalitie. Rein Taagepera en Mirjam Allik lieten zien dat strategisch stemmen grote partijen nog net iets groter maakt ten koste van kleine partijen.
Maar door de uitsluiting van de grootste partijen zou het strategisch stemmen fundamenteel kunnen veranderen. Opeens kan een stem op een kleinere partij (zelfs nummer 13 in de peilingen, nu BBB) strategisch worden, omdat ook zij ineens kans maken om in een kabinet te komen. Dat was vroeger voorbehouden aan de Top 2 of Top 3, maar nu schuift die grens op. Dus kunnen kleine partijen óók groter worden door strategisch stemmen, wat de nivellering van de partijgroottes nog versterkt.
Het zal nog een hele uitdaging worden om een meerderheidscoalitie van 76 zetels tot stand te brengen. De laatste Peilingwijzer van 30 juli 2025 laat zien dat de verdeling van zetels niet netjes past met het rijtje van de “slots” hierboven: de nummer vier (nu: VVD) is eigenlijk “te groot”, en het uitsluiten van 52 tot 56 zetels (de nummers 1 en 2, of 1 en 3) maakt het lastig een meerderheidscoalitie samen te stellen met zo weinig mogelijk partijen die ook nog eens de neuzen dezelfde kant op hebben. Dus óf er een coalitie kan ontstaan zonder de twee grootste partijen is helemaal de vraag. Aan de andere kant kan de grootte van die nummer 4 in de peilingen nu al wijzen op strategisch gedrag van kiezers.
Puzzel met veel stukjes
Wat hier meespeelt is dat de grootste partijen tegenwoordig nog maar zo’n 30 zetels halen. In 1986 was dat heel anders: 54 (CDA), 52 (PvdA), 27 (VVD), 9 (D66). In 2006 waren de partijen al kleiner, maar werden kleine partijen relatief groter: 41 (CDA), 33 (PvdA), 25 (SP), 22 (VVD). Die gelijkmatigheid is nu nog groter.
Om deze nivellering en de opkomst van kleine partijen beter te begrijpen, helpt het om naar het Nederlandse kieslandschap te kijken als een krachtenveld, geïnspireerd door netwerktheorie en community detection en chaos theorie. Ons onderzoek, onder andere met het Louvain-algoritme, laat zien dat bij een lage resolutie een klein aantal clusters ontstaat die bovendien erg groot zijn. Maar bij een hogere resolutie zijn die clusters kleiner en groter in aantal.
Dit weerspiegelt zich direct in de politiek: naarmate er meer kiezersgroepen met dezelfde voorkeuren zijn dan partijen om op te stemmen, ontstaan er segmenten van kiezers die liever iets anders stemmen dan ze doen. Als die partijen er niet in slagen deze kiezers te bedienen, ontstaan er waarschijnlijk nieuwe partijen die precies in die behoefte voorzien. De versnippering is dus niet alleen het gevolg van partijen die hun kiezers niet bijeen kunnen houden, maar weerspiegelt een maatschappij waarin die voorkeuren structureel bestaan en zich vertalen in nieuwe partijvorming.
Nog afgezien van dat een samenleving zich voortdurend ontwikkeld, en er ook maatschappelijke steun kan ontstaan voor nieuwe ideeën die helemaal nog niet door een bestaande partij worden geadresseerd.
Bovendien blijkt uit onderzoek2 dat het behalen van één zetel de beste voorspeller is voor het halen van meer zetels in de toekomst. Die reeds behaalde zetel(s) werken als een vliegwiel: nieuwe partijen die eenmaal in de Kamer zitten, hebben meer kans om door te groeien. De kans dat “oude” partijen dat segment terugwinnen is evenredig kleiner.
Kiesdrempel en coalitiedynamiek
Deze ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor het strategisch stemmen. Waar kiezers vroeger vooral voor een grote partij kozen om invloed te hebben, kan een stem op een kleine partij nu daadwerkelijk doorslaggevend zijn.
Een vaste kiesdrempel van 2% (ofwel minstens 3 zetels) – zoals de VVD voorstelt – zou al geen invloed hebben op de nivellering van de grootte van partijen. Maar het zou, behalve in 2021, ook slechts een klein effect hebben op het aantal partijen dat minder dan drie zetels behaalde. Opvallend is dat vooral partijen die nu door VVD worden genoemd als potentiële coalitiepartners (SGP, BBB en JA21) er last van zouden hebben gehad en mogelijk reeds zouden zijn verdwenen uit de Tweede Kamer.
Slot: Kleine partijen als onverwachte sleutelspelers
Door de uitgesproken positie van de VVD over gewenste samenwerkingen waarin de grootste partijen niet worden genoemd, ontstaat ruimte voor kleinere partijen om daadwerkelijk aan tafel te komen bij de formatie. Ook kleine partijen kunnen nu strategische stemmen ontvangen en daardoor wat minder klein worden dan ze anders zouden zijn, omdat een stem op zo’n partij niet vanzelfsprekend een “verloren stem” is.
Pogingen om versnippering te beteugelen met een kiesdrempel van 2% zijn vooral symbolisch: ze pakken de oorzaak van de nivellering niet aan, en zouden zelfs coalitiepartners kunnen wegvagen.
Zo kan een stem op een kleine partij opeens doorslaggevend zijn voor de koers van een kabinet, als onderdeel van een regering onder een premier die geen lid is van de twee grootste partijen.
Welke partijen de sleutel in handen krijgen, is in 2025 minder voorspelbaar dan ooit.
